Er zijn regelmatig van die dagen. We kennen ze allemaal.
En op slechte dagen met een chronisch lijf voelt er goed uitzien soms als het laatste waar je energie voor hebt.
Op dagen met opvlammingen voelt zelfs mascara soms als een project. De gewrichten zijn stroperig, de vingers eigenwijs. Staan gaat, mascara niet.
En tóch doe ik het. Niet altijd. Maar vaker wel dan niet.
Lang geleden — nog vóór het moederschap en ver voor de diagnose — beloofde ik mezelf dat ik mijn kinderen nooit naar school zou brengen terwijl ik eruitzag én rook alsof ik net mijn bed uit was gerold.
Niet oké. Oké, misschien wat streng. Laten we zeggen: liever niet.
Dat voornemen is er nog steeds. Op slechte ochtenden is het soms het enige wat me naar de badkamer trekt.
Aankleden moet, al gaat dat soms lastig.
Neem ook dat kleine beetje meer energie voor iets extra’s, zonder over-the-top te gaan natuurlijk.
Begrijp me niet verkeerd, er is niets mis met over-the-top áls dat is hoe je je voelt.
Uit is uit
Mijn moeder zei het altijd: uit is uit.
Zodra je de deur uitgaat, mag je jezelf een beetje extra verzorgen. Niet voor de buurvrouw, niet voor de school. Gewoon omdat je de wereld instapt — en jezelf daarin mag meenemen.
Ik ben dat nooit vergeten. Ook niet op de dagen dat “de wereld instappen” letterlijk betekent: twee jongens afleveren en daarna zo snel mogelijk weer naar huis.
Uit is uit.
Dus: oorbellen in. Altijd. Niet groot, wel aanwezig. Routine, zoals tandenpoetsen. Zonder voel ik me half aangekleed.
Waarom de spiegel soms helpt, juist op slechte dagen
Als slechte dagen zich opstapelen, glijdt er iets weg. Niet alleen energie — ook mezelf zien.
Dat is het moment dat ik de spiegel toch weer opzoek.
Niet om te checken hoe slecht ik eruitzie. Maar om iets te herstellen tussen lichaam en hoofd.
Even lipstick smeren. Niet omdat ik zin heb, maar omdat kleur op mijn lippen iets van leven terugbrengt in dat bleke gezicht.
Soms lak ik mijn nagels. Het duurt een eeuwigheid met stijve vingers, maar het is een haalbaar project. Terwijl het droogt voel ik me al iets helderder.
Body mist. Eén spray. Meer niet. Die vertrouwde geur haalt me even uit de sleur.
En mascara — alleen dat. Want helderdere ogen doen iets met hoe anderen naar me kijken. Minder “ziek”, meer aanwezig. En dat heeft weer effect op hoe ík mezelf zie.
Niemand ziet precies wat ik heb gedaan. Ik draag geen volle make-uplook.
Maar de spiegel zegt: je hebt moeite gedaan, om er goed uit te zien, voor joú.
Psychologen noemen dat zelfs enclothed cognition: het idee dat wat je draagt invloed heeft op hoe je je voelt.
Niet om iemand te pleasen — maar om jezelf niet kwijt te raken tussen pijn en vermoeidheid.
Zonder kleur is alles grauw
Simpel.
Een knot in plaats van los haar.
Een shirt met kleur.
Oorbellen.
Eén spray parfum.
Als dat alles is wat lukt vandaag, is dat al veel.
Het is geen ijdelheid. Het is een kleine verschuiving in een dag die anders volledig door mijn vermoeidheid en/of pijn bepaald zou worden.
Mijn energie gaat niet naar perfectie, maar naar kleine handelingen die voelen als controle. Alsof ik zeg: mijn lijf doet niet wat ik wil, maar ik bepaal nog wel hoe ik de dag begin.
Geen grootse gebaren.
Kleine ankers.
Er is ook nog iets van mij.
Ook op slechte dagen.
Er goed uitzien terwijl je je slecht voelt is geen toneelstuk.
Het is zorg — op je eigen, stille manier.
Een lipkleur, een geur, een knot.
Het verandert de dag niet, maar soms wél hoe je hem doorkomt.
Niet perfect, wél menselijk.
Geen strijd, wél kleur.
En dat is genoeg.